De entree van de tentoonstelling is een geabstraheerde muil van een reusachtig monster. Een beest dat zijn labyrintische binnenste onthult. Oscar Peters is niet de eerste kunstenaar die speelt met een dergelijke bek. In 2024 betraden bezoekers van Surrealism in het Centre Pompidou in Parijs de tentoonstelling ook via een grote mond. Die opengesperde mond met tanden was een reconstructie van de ingang van L’enfer (de hel), het legendarische Parijse cabaretcafé waar kunstenaar André Breton en zijn vrienden in de jaren twintig rondhingen. In de Monopole betreed je niet zozeer de hel; eerder een wereld waar Peters speelt met de angst voor het kwaad en de hel.

Drie skeletten hangen schuddebuikend aan een stellage die lijkt op een boom. Hun trillende en rubberachtige lichamen bewegen zich tussen slapstick en schrik. De zwarte pakken die ze dragen geven het geheel iets feestelijks. Veel animatiefilms waarin spookhuizen voorkomen maken gebruik van dezelfde scenes of beeldtaal: scheve grafzerken, slagregens, bliksemflitsen of een krijsende kat. De kale boom met bungelende skeletten is daar ook een voorbeeld van en komt vaak in beeld vlak vóórdat je het spookhuis betreedt. Oscar Peters interesseert zich voor de clichés die deze films kenmerken. Door één element uit te vergroten laat hij zien hoe belangrijk deze symboliek is en hoort bij de spanningsopbouw van het spookhuis.

Het doolhof van Oscar Peters bestaat uit een groot, groen labyrint: een structuur van gangen die uitkomt aan het einde van de zaal. Doolhoven en labyrinten zijn als een zoektocht waarbij je voortdurend obstakels tegenkomt en keuzes moet maken. De groene kasteelmuren draaien langzaam rond. Deze trage beweging speelt met desoriëntatie. Waar was ook alweer de ingang? De spanning die wordt opgeroepen raakt aan de fundamentele angst om te verdwalen en je verstand te verliezen.

Boven het groene doolhof hangen drie happende monden dreigend in de lucht. Het zijn de grijpers die we kennen van de kermis, maar dan omgevormd tot mond. Oscar Peters speelt hier met de angst om opgegeten te worden. Alhoewel deze angst misschien weinig realistisch klinkt, is het toch een oeroude menselijke angst. Opgegeten of opgeslokt worden (en soms zelfs uitgespuugd worden in een hele andere wereld) komt bijvoorbeeld veel voor in comics en videogames. Het symboliseert voor Peters de vrees om ten onder te gaan aan iets dat groter is dan jijzelf. Tegelijkertijd, zo stelt ook antropoloog Ernest Becker (1924 – 1974), kan het leven niet voorbestaan ‘zonder dat organismen elkaar opeten’.

Aan het einde van het doolhof staat een metershoog houten skelet. Van achter de torso zie je een stralend aureool en de armen maken een uitnodigend gebaar. Deze personificatie van de dood staat op een abstracte versie van een kiosk, waar bezoekers symbolisch een ticket kunnen kopen voor het einde van het bestaan. De mens weet dat de dood onvermijdelijk en altijd aanwezig is, net zoals deze enorme sculptuur altijd en overal in de ruimte zichtbaar blijft. Toch blijven we met hulp van religie, verhalen en overtuigingen zoeken naar uitwegen om aan de dood te ontsnappen.

Hoog tussen de ramen hangen zes tronies in verschillende kleuren. Ze lijken bevroren in een ijselijke schreeuw. Ze zijn geïnspireerd op grotesken die in de middeleeuwen aan gevels van kerken en kathedralen hingen: verwrongen gezichten die het gebouw moesten beschermen tegen het kwaad. Peters baseert zijn tronies op rubberen handpoppen, die heel populair waren in de jaren ’80 en ’90 maar inmiddels zeldzaam zijn. Hun uitdrukking combineert schrik en afschuw, een reactie op wat zich onder hen afspeelt.

Een gouden, afgehakte konijnenkop draait eindeloos rondjes om de eigen as. Draden van bloedrode stof hangen uit de hals en zwieren sierlijk in het rond. Aan de andere kant van het balkon hangt een reusachtig zwaard. Het is veel te zwaar, bot en groot om echt te gebruiken. De konijnenkop en het zwaard lijken op voorwerpen die je ook kunt tegenkomen in een videogame en daar zowel een ‘gift’ of een ‘tegenslag’ kunnen betekenen. Voor Peters verwijzen ze ook naar klassieke offerrituelen, die vaak grotesk worden uitgebeeld in horrorverhalen en comics. Door deze voorwerpen hier ook uitvergroot te laten bungelen steekt hij de draak met deze gewelddadige rituele die laten zien waar mensen onder invloed van hun angst toe in staat zijn.

Een nar is een historische grappenmaker en was in de middeleeuwen de enige persoon die een vorst met humor mocht bekritiseren. Alleen de nar kon dus ongestraft de draak steken met de gevestigde orde. Voor Peters is de nar nog altijd een relevante figuur omdat hij weerstand biedt tegen iets of iemand dat/die invloed of macht uitoefent. Bovendien ziet hij een overeenkomst met zichzelf en de rol die kunstenaars kunnen innemen in de huidige tijd. Ook kunst kan de rol van humoristische waarheidszegger innemen.
Ga zelf in de narrenkap staan en kijk met de blik van de nar naar het spektakel van BARBARIAN. Wat of wie heeft nu daadwerkelijk macht over ons? Zijn dat onze angsten, de dood of de klassieke machtshebber? En durven we eigenlijk weerstand te bieden aan dat wat ons in zijn macht heeft of is het makkelijker om te gehoorzamen?

Een spookhuis kan niet zonder spoken. Al eeuwenlang vertellen mensen elkaar verhalen over spoken, geesten of geestverschijningen, verstopt in een oud huis, kasteel of klooster. Ze zijn vaak gedoemd om daar tot het einde der tijden rond te dwalen. Vaak denken we bij spoken aan nare of gruwelijke wezens, maar er is er ook een lange traditie in de beeldende kunst, comics en animatiefilms die deze witte, vormeloze figuren juist belachelijk en komisch maakt.
Hoog boven in het trappenhuis van de Monopole danst een wat onbeholpen spookfiguur. In veel spookhuizen worden spoken juist zo ‘levensecht’ en transparant mogelijk getoond, vaak met behulp van de zogenaamde Pepper’s ghost-techniek (een slimme truc waarbij met een schuine glasplaat, licht en een verborgen ruimte de illusie van transparantie wordt gewekt). Niets van dit alles bij het Monopolespook. Met slechts een wit laken doet het zijn uiterste best om je aan het schrikken te maken. Het roept de vraag op: hoe reëel zijn onze angsten nu eigenlijk? En gaat het om het spook, of om onze eigen angsten die we op dat spook projecteren?

Deze sculpturen zijn geïnspireerd op klein speelgoed: objecten die je kunt opwinden en die vervolgens steeds opnieuw achterover springen om weer op hun voeten terecht te komen. Deze schedels liggen met hun klapperende kaken op elkaar gestapeld alsof ze kakelen van het lachen. Ze zijn ook geïnspireerd op de Danse Macabre (dodendans), een beroemd symfonisch gedicht uit 1874 van de Franse componist Camille Saint-Saëns. Het vertelt het verhaal van de Dood die om middernacht op zijn viool speelt, waarna skeletten uit hun graven dansen. In de middeleeuwen was de mens ook al geïntrigeerd door de dodendans. Het moest de mens eraan herinneren dat niemand aan zijn einde kon ontsnappen. Uiteindelijk is het altijd de Dood die het laatst lacht. In deze ruimte, die wel iets weg heeft van een catacombe, toont Peters zijn versie van een danse macabre.

Ook in deze kamer kom je narren, spookhuizen, doodshoofden en doolhoven tegen. Samen vormen ze de inspiratie voor BARBARIAN. Al zijn hele leven is Oscar Peters geïnteresseerd in de wijze waarop mensen het enge, afstotelijke en occulte uitbeelden. De verbeelding van angsten kent een lange traditie die dwars door culturen heen beweegt en tot uiting komt in kunst, verhalen, boeken, comics, spellen en speelgoed.
Neem hier een duik in de verzameling die Peters sinds zijn vroege kindertijd heeft aangelegd en tot op de dag van vandaag aanvult. Bordspellen, strips en rijk geïllustreerde boeken ontvouwen zich en vormen een wereld op zich. Voor Peters zijn alle voorwerpen waardevol: “Speelgoed en spelontwerpen vind ik heel interessant, niet alleen hoe het eruit ziet, maar ook het mechanisme en de regels waaraan de speler zich moet houden. Het zijn kleine universums die op een andere manier functioneren dan de echte wereld. Ze houden ons ook altijd een interessante spiegel voor over hoe we als mensen leven en handelen in de echte wereld. Je kijkt dan misschien wel heel anders naar de realiteit.”